De mannen van het eerste uur

De mannen van het eerste uur

RPO Rijnmond neemt afscheid van twee mannen van het eerste uur: Louis de Haan en Gert Eijkenaar. Allebei waren ze op hun eigen scholen actief betrokken bij ‘Opleiden in de School’, nu: ‘Samen Opleiden’. Wat is hun visie op de afgelopen tien jaar en op verbeterpunten voor de toekomst? 


Links Louis de Haan, rechts Gert Eijkenaar

Tien jaar geleden begon de inzet van Gert Eijkenaar, werkzaam als docent aan het Gemini College in Ridderkerk, en Louis de Haan, bestuurder van OZHW, voor het Opleiden in de School. Toen leken de scholen in Rijnmond af te stevenen op een groot lerarentekort. ‘Dat is daarna weer veranderd door pensioenmaatregelen en bezuinigingen’, zegt Louis. ‘Het tekort is daardoor later ontstaan.’  

De overheid gaf in die tijd subsidies aan zogeheten risicoregio’s om het lerarentekort tegen te gaan. Louis: ‘In onze regio startte toen het project Vissen in eigen vijver. Uit intern onderzoek bleek dat we zo’n honderd personen – 70 fte – zouden kwijtraken, vanwege pensionering, en we wisten dat 5 à 6 procent van de studenten aan lerarenopleidingen voortijdig afhaakte. Zonde! We wilden dit voorkomen, door zelf een aandeel te nemen in het opleiden van jonge leraren. Verder wilden we een aantrekkelijke werkgever zijn in de regio.’
Gert: ‘In die tijd konden we eerste- en tweedejaars studenten een bescheiden salaris bieden. Dat hebben we niet volgehouden. Maar wat is gebleven, is dat studenten direct de praktijk in gaan en in een veilige omgeving ervaren wat er belangrijk is voor het goed functioneren als docent. Ze merken bijvoorbeeld snel dat ze een relatie moeten opbouwen met een groep, naast het bezig-zijn met de lesstof. Voorheen kwamen docenten daar in het eerste jaar van hun aanstelling pas achter.’
Louis: ‘Bijdragen aan de opleiding van studenten verrijkt ook het zittend personeel. Er kwamen functies bij als Begeleider op School (BoS) en vakcoach. Veel collega’s maakten gebruik van de coachingscursussen die we aanboden. Want na tien of vijftien jaar gaan mensen de sleetsheid van het leraarsvak voelen, en veel leraren vinden het leuk om iets over hun vak te vertellen aan nieuwkomers.’

Welke aspecten zijn er na het lerarentekort in ‘Samen Opleiden’ bijgekomen?
Gert: ‘Er is een ingewikkelde ontwikkeling gaande. We verzorgen een aanzienlijk deel – 40 procent – van het curriculum. Nu is er een proces van harmonisering gestart, waarbij er onderdelen aan de scholen worden overgedragen. Zo gaat de leerwerktaak ‘vakdidactiek’ naar de scholen. Dat heeft grote impact. Want als je dat als vakcoach begeleidt, moet je je er zelf ook weer in verdiepen. Dit onderdeel zit namelijk niet in de coachcursus. Nu we leerwerktaken op scholen verzorgen, zetten belangrijke spelers van de Hogeschool hier ook hun schouders onder. De afgelopen anderhalf jaar is er in overleg veel ontwikkeld. Daarbij was het ene cluster sneller klaar dan het andere: het cluster talen ging snel, maar bij mens & maatschappij was dat lastiger.’  
Louis: ‘Ik heb de indruk dat er steeds meer sprake is van een wisselwerking. Je helpt studenten op gang in het vak van docent, en je krijgt er zelf als vakcoach veel voor terug. Volgens mij moet de inhoud van de opleiding bij de Hogeschool Rotterdam blijven, maar kan het pedagogisch-didactische deel van de opleiding bij ons. In vakdidactiek komen vakinhoud en pedagogiek-didactiek samen. Vakdidactiek is weliswaar per vak verschillend, maar dit onderdeel moet de vakcoach op school verzorgen, vind ik.’

Hoe lastig is het om die slag te maken?
Gert: ‘Het is mooi dat de samenwerking met de hogeschool is geïntensiveerd. Maar soms krijgen we pas ná een beslissing inspraak. Dat verwacht ik anders bij een goede samenwerking.’
Louis: ‘Ik vergelijk het met maatregelen in het verkeer. De overheid maakt pas een wet als ze weet dat de meeste verkeersdeelnemers erachter staan, bijvoorbeeld het dragen van een gordel in de auto. Zo zie je nu op de werkvloer van het onderwijs veel meer verbinding ontstaan, er zijn steeds meer eigen initiatieven. Op hoger niveau is het voorzichtig manoeuvreren geblazen. Daar is sprake van een beetje politiek-diplomatiek spel. Mijn advies is: ga zo door. Want de Hogeschool houdt rekening met RPO Rijnmond als we zeggen: díe kant moet het op. En wij zijn flexibel, er is geen kinnesinne en de verstandhouding is prettig. Het project ademt de sfeer van: we willen dit met elkaar, en van hobbels maken we geen bergen.
De Hogeschool vraagt nu twee opleidingsscholen voor een taakgroep die het examen voor het cohort 2018 voorbereidt. Laten we daarvoor onze vinger opsteken!’
Gert: ‘Deze samenwerking blijft een avontuur, ook de komende jaren.’

Hoe benutten schoolleiders de kansen?
Gert: ‘Soms vragen schoolleiders al in februari: welke studenten zijn er beschikbaar? Terwijl ze pas in april hun vacature-overleg hebben. Ze hebben een inspanningsverplichting om studenten te plaatsen.’
Louis: ‘Het gaat volgens mij best goed. Het principe van rouleren, dus werken op verschillende scholen, is een succes.
Door het opleiden in de school hebben we veel studenten behouden. Vroeger kwam een oud-leerling wel eens terug als docent op de eigen school; nu houden we oud-leerlingen met elkaar vast.’

Wat zou goed zijn om aan te passen in de volgende jaren?
Louis: ‘Het uitlijnen van het beleid voor functionarissen, bijvoorbeeld een opfriscursus aanbieden aan vakcoaches die ooit een coachcursus hebben gedaan.’
Gert: ‘Nu de Hogeschool ons studenten aanlevert op basis van hun postcode, en tegen studenten zegt: “Ga de opleidingsschool doen”, merk ik dat de band minder goed is en de intrinsieke motivatie hapert.
Ook klopt het verhaal van de Hogeschool niet, dat het reguliere traject en dit traject gelijkwaardig zijn qua belasting. De studenten van Samen Opleiden hebben immers een extra stagedag in hun rooster staan.
Beide opleidingen moeten meer gezien worden als gelijkwaardige varianten, maar wel met een accentverschil, met een vorm die voor de ene student wel geschikt is, en voor een andere niet.
Verder pleit ik voor een stagevergoeding voor het eerste en tweede jaar, bijvoorbeeld 1.500 euro, zoals we dat in het verleden hebben gedaan. Die zouden alle aangesloten scholen moeten kunnen geven.’
Louis: ‘Om meer studenten te werven, is het belangrijk dat studenten zelf hun succesverhaal ventileren naar medestudenten. Dat ze zeggen wanneer ze het derde jaar ingaan en eigen uren krijgen: “Ik ben er klaar voor, ik heb geoefend”.’
Louis: ‘Het moet ernaar toe dat we zeggen: “RPO Rijnmond en de Hogeschool vormen één instituut, waar je het vak leert en zelfs meer dan je vak. Je kunt er ook je doctorstitel halen en onderzoek leren doen”.’
Gert: ‘In het eerstegraads gebied is er ook nog een wereld te winnen. Stageplekken invullen is niet makkelijk, we hebben bijvoorbeeld geen overzicht per jaar van welke studenten er zijn. We overleggen niet over de matching van studenten en scholen, we bespreken niet samen de studenten – die zijn er bovendien maar één of anderhalf jaar, geen vier – en er is weinig beschreven door SEC en ICLON over de inhoud van de stages. Dat is een verschil met de Hogeschool Rotterdam. Daarin hebben we dus nog een slag te maken.’
Louis: ‘Wat helpt is als scholen deelnemen aan projecten, zoals het Walburg College dat meedeed aan het traineeship ‘Eerst de Klas’. Daardoor ontstaan er bruggetjes. Eigenlijk zouden we sleutelfunctionarissen van de twee universiteiten moeten uitnodigen voor een stage. Zodat ze weten hoe het eraan toegaat op middelbare scholen. En ervaren dat kennis hebben van iets heel anders is dan het overdragen van kennis.
Ik vind het jammer dat ik nu uit RPO Rijnmond stap. Opleiden moet het belangrijkste worden, maar je kunt met elkaar nog slagen maken die belangrijk zijn voor zittende docenten. In onze eigen organisatie – OZHW – hebben we een ‘Ontwikkelpunt’ gestart voor zittende docenten; dit is geëxplodeerd qua succes. Het geeft trainers en opleiders in onze eigen organisatie een boost als ze hun expertise mogen etaleren voor hun collega’s op school, en helemaal als dit publiek nog breder is, dus ook collega’s van andere scholen betreft.’

 

Vissen in eigen Vijver zorgde voor een functieverbreding van zittende docenten. Is dit zo’n zelfde proces?
Louis: ‘Ik geloof het wel. Ik heb veel postdocs rondlopen; het is zonde om hun kennis en inzichten niet te gebruiken. Als je eerst in je eigen school een training mag verzorgen en dan daarbuiten, krijgt het vak weer meer inhoud. Bij de ontwikkellijn betrekken we HR-mensen, onze personeelsadviseurs. Ontwikkelen kun je het beste doen als je het koppelt aan schoolontwikkeling. Dat levert alleen positieve dingen op. Je komt in contact met gelijkgestemden en je hebt een thema.’

Nu ze afscheid nemen is één ding duidelijk voor Gert en Louis: ze gaan niet meer terug naar het onderwijs. ‘Ik ben verzadigd’, zegt Gert, ‘anders zit je meteen weer in een rooster dat beslag legt op je agenda.’ Ook Louis heeft een interim-klus bij een Rotterdamse onderwijsinstelling van de hand gewezen: ‘Het is mooi geweest!’.  

By | 2018-03-30T07:57:03+00:00 14 / 12 / 2017|Nieuws en artikelen|Reacties uitgeschakeld voor De mannen van het eerste uur